Teksten - Dag uit het leven: EEN DAG UIT HET LEVEN VAN EEN COUREUR IN DE RONDE VAN VLAANDEREN
04:37.
De wekker gaat. Of beter gezegd: hij ontploft. Zo voelt het toch. Je opent één oog en vraagt je af waarom je ooit hebt besloten dat vrijwillig afzien een goed idee was.
Dan herinner je het je: vandaag is het de Ronde van Vlaanderen.
Je springt uit bed met het enthousiasme van een natte krant, eet een ontbijt waar een klein dorp drie dagen op kan leven, en probeert jezelf wijs te maken dat je er zin in hebt. De benen voelen… verdacht normaal. Dat is geen goed teken. Dat betekent dat ze straks gaan ontploffen.
In de bus is het stil. Iedereen zit in zijn eigen hoofd. Eén renner staart naar buiten alsof hij een dramatische film speelt. Een ander smeert voor de vijfde keer zalf op zijn benen. Jij controleert voor de tiende keer of je schoenen er nog zijn. Prioriteiten.
Aan de start is het chaos. Mensen, camera’s, nervositeit. Iemand roept iets. Niemand weet wat. Maar iedereen knikt alsof het belangrijk was.
En dan: de start.
Eerst is het nog "rustig". Dat wil zeggen: 45 km/u en een peloton dat klinkt als een zwerm boze bijen. Je probeert vooraan te blijven, want iedereen zegt dat dat belangrijk is. Iedereen wil vooraan blijven. Dus niemand blijft echt rustig.
Dan komen ze. De kasseien.
Je rijdt de eerste strook op en meteen denk je: “Dit is een slecht idee.” Je fiets stuitert alsof hij probeert te ontsnappen. Je handen worden gevoelloos. Je tanden klapperen. Je vraagt je af of dit nog wielrennen is of een soort extreme massage.
Halverwege de koers begint het echt. Hellingen, kasseien, nog meer hellingen. Namen die je al jaren hoort, maar nu plots heel persoonlijk worden. Elke klim voelt als een discussie met je benen. En je benen winnen niet.
Iemand versnelt. Iedereen reageert. Jij ook, want ja… groepsdruk.
Op een bepaald moment weet je niet meer hoe laat het is, hoeveel kilometer je nog moet, of wie je eigenlijk bent. Je weet alleen nog: trappen. Blijven trappen.
En dan, ergens diep in de finale, gebeurt het magische.
Het publiek. Overal. Mensen die schreeuwen alsof jij de belangrijkste persoon op aarde bent. Je naam? Misschien kennen ze die niet eens. Maar dat maakt niet uit. Voor hen ben je een held.
En heel even… geloof je dat zelf ook.
De laatste kilometers zijn een waas. Pijn, lawaai, adrenaline. Je rijdt over de finish en weet niet of je moet lachen, huilen of gewoon gaan liggen.
Waarschijnlijk dat laatste.
Na de koers zit je weer in de bus. Stil. Kapot. Iemand zegt: “Volgend jaar weer?”
Je lacht.
Want diep vanbinnen weet je het antwoord al.
Natuurlijk.